Dag 1: Aan de Bisonbaai. Het moeilijkste vind ik om te onthaasten. De tijd te nemen. Stil te staan om alleen maar stil te staan en te kijken, te voelen, te ruiken. De wereld lijkt soms alleen om jouw te gaan en het kan egoïstoisch voelen dit bewust te worden. De wereld voelt soms als een groot deken om je heen. Dan weer een fijn wollen deken in de kou en dan weer een oud deken als een oude kapotte jutten zak. Maar alleen wandelend door de wereld zie je dat dit deken altijd past. Dat het perfect is om dat je zelf de dingen kunt plaatsen en plukken, die je er van wil gebruiken. Alleen is zonder mobiel, want dat is voor mij pas echt eenzaam. Alleen door de wereld wandelen, niks vast te leggen, alleen te zijn op het pad met jezelf voelt als de pure "ik" grijpen. Maar toch wil ik de route simpelweg vervolmaken, alsof ik ook deze route gewoon weer wil afvinken van een lijstje, alsog het een taak is. Afvinken dat je naakt in de kou het water van de Bisonbaai met je lichaam beroerd. Dat dit een verkwikkend gevoel geeft. (En ja, daar voelde ik lang zenuwen van in mijn borst; en ja, de duik gaf een enrome hoeveelheid variatie van gevoelens). Afvinken dat je oplet voor watergeruis in het Filosofendal. Mijn echte doel is te stoppen met afvinken. Een leven zonder af te vinken doelen lijkt me saai en eng, maar het geeft misschien wel tijd voor rust, jezelf, de wereld,de ander. De laatste dag zou ik wel weer een duik willen nemen en dan misschien zonder af te vinken.
Dag 2: Pad richting Kranenburg. De velden zijn nog wit van de rijp. Ik voel de warme thermosfles vol thee tegen mijn rug. Ik loop zacht glooiend landschap in. Gakkende gansen op de achtergrond. In paniek alarm-slaande zangvogeltjes naast me in het bosje. Voor mij uit de koperen bol van de zon die steeds meer verblinden doet. Boven Duitsland hangt ze nog. Schuin daarnaast de bleke sikkelmaan van de voorbijgegaande nacht, ze hangt aan een onzichtbaar draadje te balanceren. Dat is wakker worden. Na de stilste nacht ooit. Geen mobiel, geen tv. Voor mij doemt de mist nu dikker op. Het is onbekend waar ik op toe loop. Grijs en wit. De kaart heb ik ook weg gestopt; ik laat me leiden door het kenteken van de route. Achter me zie ik nog de heuvels van Nijmegen. Er doemt een bank op. Er naast staat troosteloos een jong kaal boompje. Eens zal zij machtig over het vermolmde bankje heen buigen. Ik kijk om. De heuvels zijn nu ook verzwolgen door de mist. Voor me porbeert de waterige zon duidelijkheid te geven. Geluid van auto's ergens om me heen.
Dag 3: Op het Hatertse Veld. Wat heb ik nou te vertellen? Ze hield niet van me en zal dat nooit meer doen. En waar ga ik dan heen? Wacht ik weer tot het regent? Ik ben klaar met het over analyseren, het begrijpen en doorklieven van de psyche. Ik ben man. Ik ben daadkracht. Ik ben klaar met kleinzerigheid. Ik leef immers omdat dit het beste leven is, dat ik kan leven! Ik ben in deze mooie wereld, waarvan ik geniet, omdat het de beste en mooiste wereld is, die er bestaat. Danken en berusten. Ik kom tegen een poster van Sidney Lutte, onderweg gegaan op 10 december 2016. Meer dan vier jaar weg. Toen was hij achttien. Wilde hij alles ontvluchten? Willen we dat niet allen, wanneer we achttien zijn. Of misschien nog ouder. Een ongehoorzame hond blaft naar me. Sidney is misschien al heel ver weg. Hoe zou hij het ervaren in deze wereld met Corona? Sind ik wandel ben ik niet meer zo bezig met Corona. Hij wellicht ook niet. Zelden heb ik echter op deze wijze als nu gelopen. Met zo weinig kilometers op een dag. Maar zestien kilometer vandaag voor de hele dag. Dat is afzien! Dat is telkens stoppen om de dag door te komen. Het voelt als verspilling van tijd, van de dag. Maar weet je dat een bank eigenlijk gemaakt is voor het tv-kijken?
Dag 4: In de stadsherberg van Ravenstein. Donkere wolken spannen samen boven mijn hoofd - De wind is fris koud - Ik schrijf maar - zolang de regen wegblijft. De stadsherberg is alles wat ik hoopte: uitzicht op het kerkplein, oud en scheef, lekker bier en eten. Dit is genieten. Maar ik kan niet meer slapen. Ik lig voor de buis. twee uur hoor ik nog altijd het luiden van de kerkklok. Ik shcreef een brief, die ik nooit versturen mag. Schrijf ik nu toch ook maar die andere brief? Morgen zal ik de Kapucijners bezoeken.
Dag 5: Op een voetbrugje nabij Hernen. Het indrukwekkende is er een beetje af geraakt. Geen dramatische effecten meer. Ik zit hier nu op een bruggetje in het midden van een vaart. Het is heel stil en leeg en eenzaam. De wind is vandaag koud op de momenten dat ik deze tegen heb. Er zijn hier maar weinig mensen.De achtergrond geluiden zijn in willekeurige volgorde: de snelweg, kwakende eenden, vrachtverkeer welke over drempels rijd, een klapperende specht, de wind door de bomen en het riet, af en toe een gevechtsvliegtuig hoog in de lucht, fluitende vogeltjes, die twee in paniek rakende gansen, welke me overal lijken te achtervolgen en dan zijn er mijn gedachten, die soms luid roepen en soms schrikken omdat het even lijkt of er iemand anders de brug plots wil oversteken, waardoor ik moet opstaan, maar ik ben de enige die deze hele brug mag bezetten en pontificaal in haar midden kan zitten. Hoe lang zal ik hier nog willen mijmeren over hoe lang ik hier nog zal mijmeren? Daar loopt een hond langs. De baas loopt onverschillig door en er is een behoorlijke afstand tussen hem en de hond. De man loopt door een hek een bruggetje over. Het hek slaat dicht en ik vraag me af hoe de hond nu ooit naar de overkant van het slootje komt. Het hek is immers kei dicht. De hond loopt vol zelfvertrouwen richting de brug en het hek. Ik verwacht elk moment een enorme sprong met flikflak van het hondje om over het hek of over het slootje te geraken. Er volgt een sprongetje, een hupje beter gezegd. Langs het hek, tussen de tralies van de railing op de brug. Zo kan het ook, en ik zag alleen maar het pad met het hek. Het loont anders te zijn... En waarom kijk ik nu tijdens het wandelen zo dikwijls naar beneden? Ik kijk naar de grond om mijn voeten te bewaken dat ze niet struikelen over oneffenheden. Maar soms loop ik dan helemaal verkeerd en mis belangrijke kentekens van de route. Als ik nu eens om me heen keek, omhoog en vooruit, dan zou ik beter zien waar ik heen ga en zouden me meer opvallen de onwaarschijnlijke kerken en zandheuvels in dit verlaten polderlandschap. danzou ik de aanwijzingen zien en het juiste pad keizen om aan te komen waar ik heen wil gaan. En ja, dan struikel ik somtijds.
Dag 6: Aan de Rijn te Beuningen. De laatste dag en ik loop in het oog van de orkaan. Voor me donkere wolke, boven me diepblauw en even was de wind weg. De lucht verandert elke tien minuten. Nu lijken de wolken achter me me aan het inhalen. Wodan op zijn machtige rolmobielen! De vleugels van de meeuwen weerkaatsen wit de laaghangende zon. Een nieuwe dag is aangebroken. Daar waar de tak breekt door de wind, de dode tak, daar neem ik drie duiken, of beter gezegd odnerdompelingen, in de Rijn. Er zijn even geen boten en het is fijn. Bij deze boom hang ik mijn verleden op in de vorm van mijn oude pyama broek. Het loopt nu lichter en opgelucht. Ik besef me weer hoe alles om mij draait. Dat is mijn leven, want mijn leven draait om mij. Egoïstisch? Ik denk aan de film van Scorcere met Dafoe over Jezus. Een mooie film, waarin alles draait om de persoon Jezus. Hij volbrengt het voor zichzelf misschien. En daardoor ook voor een ander als leidend voorbeeld. De Rijn is wild. De wind raast er over heen. Golven zijn bergen en dalen in het water. Geen stukje rivier is vlak. Groen blauw botst het tegen de stenen van de kribben. "Blijf in het gareel!" schreeuwen de basalt keien. Het kleurepalet van deze plek langs de rivier! Ik sta stil en laat de wind om me heen suizen. Zoveel wind. Het zachte geel van zand met zwarte strepen van losse takken. Het groen blauw van hard gegeseld rivierwater, waar het donsige zandgeel in verdwijnt. De wortels van de oude wilgen naakt en hoog boven het oeverstrand.
Ik zit weer in de auto. Een beetje verdrietig dat het afgelopen is. De herrie zal weer terug keren. De stress? Nog even ademhalen.
